Omdat ik een aantal dingen heb meegemaakt in mijn leven die niet echt goed voor de mens zijn, en vooral niet voor een kind, heb ik wat strategieën ontwikkeld om mezelf overeind te houden, en te kunnen doorgaan met mijn (over-)leven. Dissociëren was maar één van die strategieën. Een andere was om te fantaseren, ik zou ooit ontdekt worden als beste zangeres aller tijden, of als onecht kind van een koning, of ik bleek gewoon heel goed te zijn in het redden van mensen. Ooit zou ik iemand zijn, die wat voorstelde, die wat was. Om de angst die de gebeurtenissen van het leven bij me opriepen ietwat de baas te kunnen verzon ik nog veel meer. Ik had aftelrijmpjes (ik maakte ze zelf) en als ik die opzei, dan zou er niks ergs gebeuren. Er waren bezweringen en handelingen die er ook voor moesten zorgen dat het een goede dag zou zijn, of dat er in de nacht geen inbrekers kwamen. Ik nam me dingen voor, zodat ik die kon doen als ik groot was, zodat ik houvast had.  Bezweringen, toverformules, grote dromen van een doodsbang kind. Het hielp me toen.

En nu ben ik groot, en verstandig en heb geen bezweringen meer nodig. Ik leef, meestal voluit en met passie. En toch, in spannende tijden, waarin emoties hoog oplopen, val ik terug op die oude systemen. De afgelopen tijd was niet makkelijk, veel emoties en lastige situaties waarin ik veel beslissingen moest nemen, zaken moest regelen en accepteren dat het leven weer anders loopt dan gehoopt en gedacht. En dus stond ik tussen de tijdelijke puinhoop van mijn tijdelijke slaapkamer, dozen om me heen, kleding en beddengoed in zakken, mijn tandenborstel in de toilettas en keek naar mijn knuffelbeesten. Knuffelbeesten ja, ik heb ze nog altijd, teddyberen, wat hondjes, een zeehondje. Vroeger was mijn teddybeer mijn beste vriendje, ik zocht en vond veiligheid en troost bij hem. Ik had heel veel knuffeldieren maar heb het (als gezonde, weldenkende, niet-sentimentele volwassene, ahum) gereduceerd tot een zevental dat nog steeds telkens mee verhuist. Deze mogen blijven. Nu moesten ze ingepakt voor de verhuizing. Ik stond daar en merkte dat ik vol-automatisch het rijmpje, de toverspreuk opzei zoals ik dat vroeger in dit soort situaties deed. Want elk kind weet dat teddyberen en andere knuffels het helemaal niet leuk vinden om ingepakt te worden in een grote plastic zak.

En opeens luisterde ik naar mezelf. Wat zei ik eigenlijk? Wat zei ik precies? Mijn rijmpje kwam er op neer dat het gevoel van mijn knuffels uitgeschakeld werd, ze hoefden niks te voelen, niks te horen, iks te zien wat ze niet wilden. En te midden van de dozen realiseer ik me dat ik ervoor zorgde dat mijn knuffels konden dissociëren. Het klinkt misschien vreemd, maar het raakte me diep. Die spreuken, bezweringen, doe ik al zolang ik me kan herinneren. De toverspreuk voor mijn knuffels over niet hoeven voelen, niet bang hoeven zijn, is een van de eerste die ik maakte. Ik was nog maar een pukkie en vond het nodig om te zorgen dat mijn knuffels geen pijn zouden hebben. De eenzaamheid en het verdriet van dat kleine meisje voelde ik even heel hard binnenkomen. Ik was verdrietig om haar, om haar pijn en angst. En direct daarna begon ik me trots te voelen; zo klein en bang als ik was, vond ik een manier om anderen (mijn knuffels) te beschermen tegen dat wat ik zo erg vond.

Vorig stukje
Volgend stukje