“Daarstraks zat ik met een klein beetje schuldgevoel te bedenken dat er weer eens een stukje op Facebook moest komen, het is al even geleden immers. En toen kwam dit voorbij:”

Don’t be fooled by me.
Don’t be fooled by the face I wear
for I wear a mask, a thousand masks,
masks that I’m afraid to take off,
and none of them is me.Pretending is an art that’s second nature with me,
but don’t be fooled,
for God’s sake don’t be fooled.
I give you the impression that I’m secure,
that all is sunny and unruffled with me, within as well as without,
that confidence is my name and coolness my game,
that the water’s calm and I’m in command
and that I need no one,
but don’t believe me.
My surface may seem smooth but my surface is my mask,
ever-varying and ever-concealing.
Beneath lies no complacence.
Beneath lies confusion, and fear, and aloneness.
But I hide this. I don’t want anybody to know it.
I panic at the thought of my weakness exposed.
That’s why I frantically create a mask to hide behind,
a nonchalant sophisticated facade,
to help me pretend,
to shield me from the glance that knows.But such a glance is precisely my salvation, my only hope,
and I know it.
That is, if it’s followed by acceptance,
if it’s followed by love.
It’s the only thing that can liberate me from myself,
from my own self-built prison walls,
from the barriers I so painstakingly erect.
It’s the only thing that will assure me
of what I can’t assure myself,
that I’m really worth something.
But I don’t tell you this. I don’t dare to, I’m afraid to.
I’m afraid your glance will not be followed by acceptance,
will not be followed by love.
I’m afraid you’ll think less of me,
that you’ll laugh, and your laugh would kill me.
I’m afraid that deep-down I’m nothing
and that you will see this and reject me.So I play my game, my desperate pretending game,
with a facade of assurance without
and a trembling child within.
So begins the glittering but empty parade of masks,
and my life becomes a front.
I idly chatter to you in the suave tones of surface talk.
I tell you everything that’s really nothing,
and nothing of what’s everything,
of what’s crying within me.
So when I’m going through my routine
do not be fooled by what I’m saying.
Please listen carefully and try to hear what I’m not saying,
what I’d like to be able to say,
what for survival I need to say,
but what I can’t say.I don’t like hiding.
I don’t like playing superficial phony games.
I want to stop playing them.
I want to be genuine and spontaneous and me
but you’ve got to help me.
You’ve got to hold out your hand
even when that’s the last thing I seem to want.
Only you can wipe away from my eyes
the blank stare of the breathing dead.
Only you can call me into aliveness.
Each time you’re kind, and gentle, and encouraging,
each time you try to understand because you really care,
my heart begins to grow wings–
very small wings,
very feeble wings,
but wings!With your power to touch me into feeling
you can breathe life into me.
I want you to know that.
I want you to know how important you are to me,
how you can be a creator–an honest-to-God creator–
of the person that is me
if you choose to.
You alone can break down the wall behind which I tremble,
you alone can remove my mask,
you alone can release me from my shadow-world of panic,
from my lonely prison,
if you choose to.
Please choose to.Do not pass me by.
It will not be easy for you.
A long conviction of worthlessness builds strong walls.
The nearer you approach to me the blinder I may strike back.
It’s irrational, but despite what the books say about man
often I am irrational.
I fight against the very thing I cry out for.
But I am told that love is stronger than strong walls
and in this lies my hope.
Please try to beat down those walls
with firm hands but with gentle hands
for a child is very sensitive.Who am I, you may wonder?
I am someone you know very well.
For I am every man you meet
and I am every woman you meet.

Written by/Geschreven door Charles C. Finn in 1966.
Published with his kind permission/
Gepubliceerd met zijn vriendelijke toestemming.

Het kwam bij me binnen. Niet hard, geen dreun of zo maar met zoveel herkenning, met zoveel gevoelens van toen, van de vele jaren na het misbruik. Dit gedicht vertelt over hoe het zo vaak voelde, hoe ik me voelde. De maskers die ik droeg, de muren die ik bouwde, meestal onzichtbaar. Dacht ik toen. Nu vraag ik me af of het vooral door de angst van anderen kwam dat ze er niet naar vroegen. Ik vertelde er niet over, over de maskers die maakten dat ik overeind kon blijven op school, die de buitenwereld lieten zien hoe goed ik was in bepaalde vakken, hoe goed ik voor mezelf kon opkomen. Dat onder dat masker een angstig kind zat dat niet beter wist dan van zich af te slaan met woorden werd niet gezien. De eerste keer dat iemand er naar vroeg, “wie woont er eigenlijk achter die muur van je?”, was ik totaal perplex. We hebben hard gewerkt samen om de muur lager en dunner te maken. Maar daarna, ach daarna zette ik mijn maskers weer op, want veilig was het niet, zo zonder. Mijn maskers die er voor zorgden dat ik net kon doen of ik alles aan kon. Ik wist wel ergens dat het ook anders zou moeten kunnen, dat er onder die maskers ook mijn levensvreugde zat. Maar de maskers werken twee kanten op, naar buiten maar ook naar binnen. Hoe kan ik mijn maskers zien als ik er achter vandaan kijk? Hoe kon ik weten dat de echte wereld anders voelt, er anders uitziet als ik niet anders ken dan het uitzicht dat twee kleine gaten boden. Ik zag mijn maskers en wist niet dat ik ze had.

 Mijn God, wat waren ze eng, de enkele mensen waarvan ik voelde dat ze niet alleen mijn maskers zagen en wisten wat maskers waren, die me bewust maakten van de maskers en die ook achter mijn masker konden kijken. De blikken die tot in mijn ziel gingen, die alles zagen, mijn angsten, mijn pijn, mijn falen en boosheid, mijn slechtheid en zelfs mijn kwetsbaarheid en onvervuld verlangen naar liefde en erkenning. Deze mensen waren zo eng, ze zagen het gekwetste kind in mij dat ik juist probeerde te beschermen. Ik wist, diep in mij, dat ik juist deze mensen nodig had om mijn maskers af te kunnen zetten, om zelf door te krijgen dat ik achter de maskers zat. Er zijn best mensen geweest die achter de maskers konden kijken, de een mocht verder zien dan de ander maar de kern had ik zelf niet eens door. En als ik voelde dat het te ver naar binnenging, dan was ik weg. Want ik was verschrikkelijk bang om mijn maskers te voelen en ze af te zetten, ik was er van overtuigd dat er niks van me zou overblijven. Ik was immers niks, een niemand en wat zou ik moeten, wat zou ik nog kunnen als ik dat ging voelen? Uiteindelijk had ik de moed om te blijven, ondanks dat ik voelde dat er dwars door me heen gekeken werd. De doordringende ogen van degene die jarenlang mijn proces zou begeleiden ontweek ik zoveel mogelijk, maar ik wist, voelde, dat ik bij hem moest zijn wilde ik ooit verder bij mezelf komen.

Hij deed alles wat hij moest doen. In het gedicht kan ik zo ongeveer mijn behandeling, mijn pad van heel worden terug lezen. Hij liet zich niet van de wijs brengen, liet me niet in de steek, mijn spelletjes liet hij me spelen maar trapte er niet in. Hij vond dat ik wat waard was. Als ik hele sessies zat te kletsen over onbenulligheden liet hij me eerst maar gaan en vroeg dan of er nog wat belangrijks was. Als ik me verstopte tussen mijn chaos, onzekerheid en afweer zat hij gewoon rustig te wachten tot ik tevoorschijn durfde te komen. Hij bleef, wat ik hem ook maar vertelde, hoe ik hem ook maar provoceerde, uitdaagde, afweerde en hem liet werken terwijl ik blokkeerde en mezelf beloofde dat hij er niet door zou komen. En tussendoor was ik zo bang dat hij er genoeg van zou krijgen, dat hij me zou wegsturen, me niet leuk zou vinden, zou vinden dat ik er niet toe deed. Ik was zo bang dat hij me niks zou vinden, me uit zou lachen en me zou “weg doen”.

En steeds, met alle ups en downs die ik doormaakte en waar hij bij bleef, voelde ik sprankeltjes hoop. Hoop op een ander leven, op kunnen gaan voelen, op weten wie ik ben, op weten dat ik wat waard ben, hoop op liefde en geluk, op het ontstijgen van mijn jeugd. Hij was in die tijd mijn redding door de muren af te breken, achter het masker te kijken en toch te blijven. Door hem durfde ik weer te gaan leven en te voelen en te worden wie ik wilde worden. In de jaren erna zette ik steeds meer maskers af en nu mogen steeds meer mensen gewoon zien wie ik ben, hoe ik me voel en hoe het met me gaat. Nu eindelijk merk ik ook dat het me niet meer uitmaakt wie wat denkt en wat zegt. Ik ben blij met mezelf, mijn maskerloze zelf.

Vorig stukje
Volgend stukje