Ik lag weer eens op de massagetafel, heerlijk in het donker, dekentje over me heen, de handen van Therapeut waren ergens met iets bezig, ik lette er niet op. Opeens zegt hij: hoe zou je het vinden als ik je nu zou vertellen dat je geen benen hebt, dat je al die jaren alleen maar dácht dat je benen hebt.Een gevoel van opluchting trok door mijn lijf.
O, dat was het natuurlijk waarom ik struikelde over alle drempels, haakte achter traptreden en mis-stapte op roltrappen……… ik had gewoon geen benen!
Ik was helemaal blij, tot Therapeut me vertelde dat ik wel benen hád maar dat hij had gemerkt dat ik ze niet bewoog en ze ook levenloos aanvoelden. We hebben er verder over gepraat en ik merkte zelf ook dat ik ze niet kon bewegen en niet kon voelen. Vreemd was dat. Even later deden ze het vanzelf weer. In de tijd daarna hielden we ons vaker bezig met dit verschijnsel. Ik merkte dat mijn benen dienst weigerden als ik het moeilijk had, getriggerd was en/of dingen moest doen die ik niet echt wilde of kon. Ik kende het verschijnsel wel.
Ooit werkte ik in een kliniek waar mensen met een chronische psychose (zo heette dat toen) opgenomen waren voor behandeling. Een jonge man was al een tijdje bij ons. Hij draaide gewoon mee in de groep, leuke man, beetje verlegen en teruggetrokken soms, maar prima om er bij te hebben.
Op gegeven moment kwam hij onder spanning te staan, meer dan anders het geval was. Het was bizar om te zien, zijn rug kromde zich naar achter, zijn hoofd ging richting zijn achterste, zijn lange zwarte haar raakte bijna de grond. Het deed hem verschrikkelijk veel pijn. Hij had het vaker en ik weet niet goed meer hoe we hem hielpen daarbij, behalve dat we met hem gingen praten, hem gezelschap boden. Gelukkig hielp het vlot als we in contact bleven met hem.
Later, op mijn volgende werk, was een meisje dat soms neerviel, begon te schokken, niet meer aanspreekbaar was en een spuit nodig had om rustig te worden. Ze deed dit bij voorkeur als de avondploeg net weg was of wegging en de irritatie die dit opriep bij de medewerkers die daardoor langer moesten werken, liep op. Toch boodt de kliniek niets anders dan die spuiten.
Alle keren ging het om conversie-aanvallen, pseudo epilepsie wordt het ook genoemd, de oude naam is hysterische verlamming. Tegenwoordig valt het onder FND en dissociatieve stoornis. Ik noem het conversie. Het is eigenlijk dat je lijf laat zien dat het niet meer gaat, dat je niet meer wilt horen, of zien, of doorgaan of voelen, of praten, of noem maar op. De mogelijkheden zijn talloos. Maar het is gewoon je lijf dat zegt: “Genoeg geweest. Nou moet je rustig aan.” Omdat wij niet luisteren gaat ons lijf dan op de spaarstand. Het kan ook zijn dat er een directe trigger was en het lijf daarop reageert, de directe lichamelijke dissociatie dus.
Ik wilde het veranderen, ik wilde gewoon kunnen lopen, kunnen vertrouwen op mijn benen, mijn lijf voelen, kunnen voelen als iets fijn is voor mijn lijf, maar ook kunnen voelen als ik aan grenzen kom. Het was best een heftige keuze. Want ik had veel pijn in die tijd, en ik wist dat die erbij geleverd kwam, want geen dissociatie en conversie meer, dat betekent gaan voelen. Op alle niveau’s, dat betekent herinneren, dat betekent in het diepe springen.
Ik maakte de keus om het te gaan doen en niet gehinderd door veel kennis besloten Therapeut en ik om van alles te proberen om mijn lijf uit de alarmstand (de chronische, altijd aanwezige conversie) te halen.
Daar zijn we een tijd mee bezig geweest, maar het is uiteindelijk gelukt.

 

 

Vorig stukje
Volgend stukje