Ik ben opgegroeid in een socialistisch-humanistisch gezin. Niks mis mee natuurlijk hoewel de verplichte 1 mei viering soms behoorlijk saai was. We woonden in Meppel waar socialisten toch nog een hoofdstuk apart waren (het was begin jaren ’70 dus nog voor de grote trek naar Drenthe) maar mijn ouders hielden stand. We gingen niet naar de kerk, hielden ons niet aan de zondagsrust en leefden zoals wij het wilden. Maar ik was een buitenbeentje, ik vond kloosters geweldig en wilde graag kerken bekijken. Ik wilde naar een klooster terwijl ik amper wist wat het was, ja een groot gebouw met mannetjes in jurken. Ik wist er niks van maar het leek me geweldig. Als we op vakantie eens een kerk bekeken, of een klooster voelde ik me er meer thuis dan op de 1 mei viering. Nou vonden ze dat thuis maar niks natuurlijk dus geen klooster voor Marjolijn. Ik groeide op tot een redelijk normale feministische humanist met socialistische inslag. Precies wat in mijn pubertijd normaal was voor iemand die met mensen ging werken. Mijn andere neigingen hield ik maar voor me, ze waren ook wat verbleekt en een groep om mee samen te wonen leek genoeg op een klooster om als compromis te dienen. Ik liep kerken in als ik kon en soms, als het heel moeilijk werd in mijn leven droomde ik nog voorzichtig van een klooster op een mooie heuvel. Maar van een God moest ik niet veel hebben, een oude man die van ver-weg over mijn leven zat te beslissen, dat maakte me alleen maar nijdig. Nog zo’n kerel met baard die het niet kon schelen of hij mij zeer deed.
Jaren later had ik een discussie met mijn therapeut, hij had het over energetische behandelingen. Daar geloofde ik natuurlijk niet in. Energie komt uit het stopcontact, zei ik hem.
We gingen een testje doen. Ik deed mijn ogen dicht en hij legde zijn handen op mijn knieen. Als ik zijn handen niet meer voelde, mocht ik mijn ogen open doen. Toen ik uiteindelijk mijn ogen opendeed, zat therapeut op zijn gemakje 6 meter verderop, hij zat daar al een tijdje. Hij vertelde dat hij energie had gelegd op mijn knieen en dat ik dat dus die hele tijd gevoeld had.
Er waren daarna dingen, die ik vroeger toeval genoemd had, die nu precies op tijd opdoken of gebeuren en me zo verder hielpen in dat moeilijke verwerkingsproces. Mijn vriendin, die lag te sterven en zoveel pijn had wilde ik graag helpen. Dus ik vroeg aan “de kosmos” om mij kracht en acceptatie te sturen zodat ik die aan mijn vriendin kon doorgeven. Dat gebeurde, ik pakte haar hand en de pijn werd veel minder. Ik heb maar niet verteld wat ik deed, was zelf te verbluft.
Ik begon dingen te voelen, dingen waar mensen pijn aan hadden, verdriet dat ze voelden. Ik voelde het in mijn lijf, in mijn ziel. Het duurde best even tot ik door had dat ik heldervoelend was. Vreemde zaak vond ik dat. Dat kon immers niet.
Ik wist het allemaal niet zo goed, de dingen die in therapie (maar ook daarbuiten) gebeurden gaven me het gevoel dat er meer was tussen hemel en aarde. En dat gevoel veranderde in een zeker weten. Ik had een sessie waarbij ik aan de bron van alles kwam (later bleek dat te zijn wat ik jaren tevoor in mijn bijna dood ervaring had gezien, zie “het ongeluk”).
En toen zat ik op luchthaven Basel na een weekje vakantie in Nederland. Braaf wachtend op mijn grote, enorm grote roze koffer. Hij zat vol met boeken en ik kon hem amper tillen. Ik zei tegen God/ de kosmos/ de Godin: “Oke, ik wil het zeker weten. Laten we wat afspreken. Als je bestaat, dan laat je mijn koffer als eerste komen. Het is die grote roze. Als eerste, niet als tweede zodat ik toch ga twijfelen, gewoon als eerste, dan hebben we het er niet meer over en aanvaard ik dat jij er bent, dat er meer is”.
De band begon te lopen en als eerste, allereerste, lag mijn roze koffer.
Dat was het eind van de discussie en het begin van mijn bewuste ontwikkeling en groei op het spirituele vlak.

Vorig stukje
Volgend stukje