Al die verschillende kinderen in mij. Het zijn er nogal wat, de kleine Marjolijn die lachend op de foto staat, dansend in het zonlicht. Vrij, onbekommerd en totaal overtuigd van dat het leven goed is en er van haar gehouden wordt, dat er mensen zijn die haar het mooiste en prachtigste vinden dat ze kennen. Dan is er dat kind dat naar adem snakt na het bijna verdrinken en gered worden. En dan al die kleinen die geen raad weten met de opmerkingen van de dader, die niet snappen wat hij met hen doet, van hen verlangt. Ik heb ze leren kennen. Ik ken ze niet allemaal even goed maar ik hoopte wel dat ik met allemaal een keer contact had gehad.

Kort geleden, tijdens een vakantie, kwam ik nog een kindje tegen bij mezelf. Ik kwam haar tegen door een boek, Das Medizinrad der Lakota. Dat stond in de uitverkoop in een tamelijk onverwachte boekwinkel in Oostenrijk. Het gaat over het medicijnwiel van de Lakota-indianen en een Duitser die graag indiaan wilde zijn (je kent het wel, van die mensen die graag medicijnman willen worden). Het boek confronteert hem met aspecten van zichzelf die nog niet geheeld zijn.
En mij dus ook. Ik kwam mezelf behoorlijk tegen door dat boek. Mijn basale innerlijk kind had ik weinig contact mee, wel met mijn getraumatiseerde kindsdelen, maar niet met het kind wat ik eigenlijk ooit was. En dat is jammer, want dat kind heeft ook alle kwetsuren meegemaakt en heeft angsten, veel angsten. Deze spelen door in de volwassen vrouw die ik nu ben en ik was er net achtergekomen dat ik daar wel van baal. Maar ik kon er niks mee, kreeg er geen grip op. Het boek gaf een makkelijke (nou ja, laten we zeggen haalbare) oplossing hiervoor. Het kind betrekken bij de dingen die ik doe, als ik bang word, ga ik er nu vanuit dat het het kind in mij is dat bang is. En dus praat ik met haar, ik troost haar, net alsof het een gewoon klein meisje is dat bang is. Ik neem haar serieus maar ga niet mee in de angstige emoties, want als volwassene weet ik dat het goed komt. Het klinkt zo simpel hè, maar het was best moeilijk soms.

We gingen roeien op een meer en het meisje was natuurlijk bang voor het diepe donkere water en ze bedacht ook allerlei dingen die mijn partner kon doen en waar ze bang voor was. Ik heb met haar gepraat en haar gerust gesteld en wat afgeleid (en partner maar roeien). Ze kalmeerde en we konden genieten van het varen en het prachtige meer. Die vakantie ben ik best druk met haar geweest. Nu ze wist dat ik luisterde en dat ik haar hielp, durfde ze steeds meer dingen te vertellen die ze eng vond. Het was wel lastig om te durven voelen naar haar angsten en tegelijk te beseffen dat het angsten van een klein meisje zijn, waar ik als volwassene, niets mee hoef behalve haar te troosten. In het troosten vond ik zekerheid en steun, niet alleen voor de kleine maar ook voor mezelf als volwassene. Al die dingen waarvan ik nooit zelfs maar had durven toegeven dat ze me bang maakten, kon ik zeggen, delen en mezelf troost over geven. Want met elke keer dat de kleine een angst aangaf luisterde ik als volwassene. Ik luisterde met begrip en compassie en liefde. Maar ook met gevoel voor de realiteit van het hier en nu, met het weten dat het dingen waren waar ik niet bang voor hoef te zijn, niet meer in elk geval. Het werkt, het werkt echt heel goed. Omdat ik als volwassene de verantwoordelijkheid heb voor de kleine, moet ik realistisch en praktisch zijn en kan ik niet meegaan in haar angsten. Ik heb veel geoefend, aardig wat gehuild en veel gepraat.  Het fijne is, dat ik nu dagelijks merk dat mijn angsten minder zijn geworden. Ik ben niet meer bang dat ik opeens dood ga, ik ben niet meer bang dat iedereen waar ik om geef  zomaar dood gaat. Ik ben niet meer bang voor het donker. Natuurlijk zijn er angsten die nog over zijn, maar de angst voor het Leven is weg.
Ik ben niet meer bang om dood te gaan en niet meer bang om te leven.

Vorig stukje
Volgend stukje