Ik heb een foto. Van mezelf.
De foto staat al jaren in mijn kast, in een lijstje. Ik ben niet zo van de foto’s in een lijstje in een kast. De meeste foto’s zitten in een album, ingeplakt, en maar zelden bekeken. Ook deze foto zat in een album, ingeplakt door mijn moeder, want ik was nog heel klein toen deze gemaakt werd, dus plakken deed mamma nog voor mij. De foto in mijn kast is me heel dierbaar. 
Ik vind het een prachtige foto. Ik sta er op zoals ik toen was, een klein vrolijk meisje, dansend in het zonlicht, stralend. Mijn moeder en mijn opa keken toe, genoten mee. Deze foto is me dierbaar, niet vanwege de herinnering aan toen die genomen werd, want die is er hier niet bij. Deze foto heb ik uitgezocht toen ik in therapie was. Ze doet dienst als anker. Als steun. De foto herinnert me er aan dat er een tijd was dat ik helemaal in orde was, dat ik gelukkig was en vrolijk en vrij en deed wat ik wilde.

Ze is gemaakt in de tijd dat ik nog niet wist wat misbruik is, net vóór ik de angst leerde kennen.

 

 

 

 

De foto heeft me in zware tijden geholpen te blijven voelen dat er een tijd was dat het goed was en dat er weer een tijd zou komen dat het goed zou zijn. Het beeld ken ik inmiddels zo goed dat ik het kan oproepen als het nodig is. Dat is handig, vooral als ik in een angsttoestand niet meer wist wie ik was en waar ik was. Het beeld van dat kleine, vrolijke meisje heeft me heel wat keren rustiger gemaakt en hoop gegeven. Het hielp me ook toen ik bezig ging met innerlijk-kind-werk. Omdat ik heel veel niet meer weet van vroeger hielp de foto me te weten hoe ik er uit had gezien voordat het misbruik begon. Het hielp me te wéten dat ik in mijn kern goedheid en liefde en blijheid ben.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vorig stukje
Volgend stukje