Ik merk dat de afgelopen weken steeds een thema terug komt bij mensen die ik spreek. Angsten die zomaar vanuit het niets (lijkt het) binnen knallen, waarvan je geen idee hebt wat het is en waarover het gaat en wat je er mee moet.

Ik ken die tijden nog goed. Zit ik rustig, gewoon thuis, geen triggers, alles zo als het moet, kan en zoals het goed is. En opeens krijg ik geen adem meer, mijn hart wil per direct blijkbaar verhuizen naar een andere borstkas en doet verwoede pogingen uit te breken, dwars door mijn ribben heen, mijn benen zijn verworden tot een soort slappe Bambix en ik denk dat ik dood ga. Eigenlijk ben ik ervan overtuígd dat ik dood ga.
Door mijn hele verwerkingstraject heen ben ik meermaals op de eerste hulp beland, soms zelfs in de ambulance er heen gebracht. Dat zijn geen grapjes. Het is verschrikkelijk als je zo bang bent. Het personeel van de eerste hulp reageert soms aardig, soms afwijzend, soms dreigden ze met opname, op de psychiatrie. En ik zat daar dan, trillend en bevend en vol ellende. Want getriggerd worden en dan in paniek schieten, oké, dat is wat anders, dat snappen we nog. Toch? Maar zo maar, out of the blue, terwijl je eigenlijk al verder in het proces bent, dat is niet best. Want dit soort dingen komt vooral als we al wat verder zijn in ons proces. En ik heb zó geprobeerd er met logica tegen te vechten, mezelf gerust te stellen, me af te leiden, steun te vragen, gaan poetsen, alles. Maar er werkte niks echt. Ik hield bij wanneer het gebeurde, wat er aan vooraf ging en waar ik aan gedacht had. Maar ik kon er geen goed garen van spinnen. Er zat geen verband in leek het wel. Het hielp wel om tegen mezelf te praten, op een rustige manier uit te leggen dat er niks was, niks kon zijn, dat je niet zomaar dood gaat van angst. Het hielp wel maar het bleef dan nog lang onrustig in me.

En toen waren er wat “toevalligheden” waardoor ik wat verder ging kijken en voelen. Ik had van iemand het boek gekregen dat gaat over Dissociatieve Stoornissen en waarin staat hoe dat te behandelen is, Omgaan met traumagerelateerde dissociatie heet het, door Boon, Steele en van der Hart. Dat heb ik natuurlijk gelezen. En er gebeurden wat vage dingen die te maken hadden met kleintjes in me en met mijn spirituele ontwikkeling, dat ging ook over eenheid. Al met al was er opeens een gevoel van een kleintje, dat oorspronkelijk was, ongedeerd, niet getraumatiseerd maar wel aanwezig geweest bij het trauma en op dat moment, nog ongetraumatiseerd in een milliseconde (split second!) in veiligheid werd gebracht. En door mijn ontwikkeling en verwerkingsproces was ze niet meer omgeven door andere kleintjes maar was ze alleen. En ze was niet gegroeid want ze had al die jaren doorgebracht achter alle trauma’s. Onopgemerkt heeft ze daar gezeten, verstopt en steeds meer alleen. Kleintjes houden niet van alleen zijn, zeker als ze in een situatie komen die ze helemaal niet kennen. Mijn kleine kreeg steeds meer mee van de wereld en daar waren allemaal dingen die ze niet kende. Ze keek haar ogen uit natuurlijk. Maar er was zoveel om bang voor te zijn, zoveel dat ze niet kende en dat niet leuk en niet fijn leek. En omdat ik, de volwassene, steeds minder angsten had en situaties aan ging die ik eerder uit de weg ging, liep de spanning bij de kleine soms huizenhoog op. Op gegeven moment hoefde er helemaal niks te gebeuren of de angst spoot alle kanten op. En dat waren de momenten waarop ik, de volwassene, in een paniek schoot zonder reden.
Ik besloot te doen wat ik ook al, net wat anders, had gedaan bij het onbeschadigde kind dat nog wel wist wat er allemaal gebeurd was in de tussentijd (http://www.voeljekracht.org/index.php/het-medicijnwiel/).
Dit kindje mocht groot groeien, ze mocht mee in mijn dagelijks leven en alles meemaken wat ik meemaakte (behalve als dat niet handig was voor haar leeftijd, bij enge films moest ze in het begin gewoon naar bed). Ze mocht altijd zeggen wat er was, vragen om steun en veiligheid en uitleg, haar angsten kenbaar maken en blij zijn over nieuwe dingen. Het klinkt heel moeilijk maar meestal meldt ze zich gewoon als ze het allemaal raar en niet zo leuk vindt. En dan gaan we praten, kijken, vragen, uitleggen. Ik leerde dat het soms handig was om van te voren te bespreken als ik dingen ging doen die niet handig waren voor een kleintje, dan ging ze even uit de weg. Ik leg haar uit dat we auto kunnen rijden, dat het niet eng is als het dan hard waait, dat er dan niks gebeurd. Ik laat haar zien dat we zelf dingen mogen beslissen en kunnen ondernemen, dat er dan niemand boos wordt en dat we het best kunnen. Ze weet ook dat de dader van vroeger dood is en dat ze dus niet meer weg hoeft. Ze weet dat we niet doodgaan als we gaan zwemmen (hoewel donker, ondoorzichtig water nog altijd een dingetje is). Ze weet ook dat als iemand ons aanraakt, we goed gaan voelen of we dat fijn vinden of niet. En ze weet dat we dat mogen zeggen, we mogen nee zeggen als het niet fijn (meer) is, we mogen het ook zeggen als we op een fijne manier aangeraakt willen worden. Ze groeit, gelukkig sneller dan gewone kindjes en ze leert bliksemsnel. Soms vergeet ze zich te melden als ze heel blij is en dan krijg ik van alle kanten te horen dat ik eruit zie als een blij-ei. Ondertussen is ze al behoorlijk groot en hoef ik me eigenlijk geen zorgen meer te maken over dat er dingen zijn die ze nog niet kent en die ze eng vindt. Op de een of andere manier verdwijnt ze steeds een beetje meer naar de achtergrond, maar nu op de goede manier, we versmelten.

Mijn angsten zijn weg. Geen paniekaanvallen meer, soms voel ik dat het er tegenaan zit en ga we even praten. We worden nog dapper zo samen.

Vorig stukje
Volgend stukje