Kort geleden vertelde een lotgenote me een deel van haar verhaal. Met verhaal bedoelen we de dingen die we hebben meegemaakt aan misbruik en fysieke en geestelijke mishandeling. De meeste van ons hebben een verhaal dat meerdere hoofdstukken kent. Nu vertelde ze een hoofdstuk dat ik nog niet kende. Het is een pittig hoofdstuk waarbij ze ook vertelde dat ze zich zo vies voelde.
Het deed me er aan denken hoe lang ik me vies gevoeld heb. Ik denk dat het voor mij heel lang een soort vaag gevoel van besmeurd zijn is geweest, tot ik op mijn 19e een lift kreeg van een foute man die met zijn vieze vingers aan me zat. Vanaf toen werd het meer een bewust gevoel en voelde ik me viezer dan eerder en bij elk voorval werd dat erger.
Vies voelen is een dingetje na misbruik. Natuurlijk werd ik ook gewoon echt vies erdoor, maar vooral geestelijk voelde ik me besmeurd. In tegenstelling tot het vies zijn aan de buitenkant van mijn lijf, was het gevoel van besmeurd zijn niet zomaar af te wassen. Ik heb het geprobeerd. Na het gebeuren met die lift heb ik tijden onder de douche gestaan,  me wassend met een schuurspons. Ik heb mijn kleren tig keer laten wassen, waarna ik besloot ze gewoon niet meer aan te doen en ze te laten verdwijnen naar de uiterste hoek van mijn kast. Maar mijn lijf werd niet schoon, zelfs niet echt van de buitenkant, de bagger die ik in me voelde drong door naar buiten. Het was zichtbaar, voelbaar, ruikbaar. Iedereen leek het te kunnen zien. Het grootste deel van de tijd was ik me niet bewust van de bagger, wel van al het onvermogen dat het voortbracht.
Het maakte dat er onzichtbaar maar duidelijk de tekst: “beschikbaar” op mijn voorhoofd kwam te staan. Vooral foute mannen kunnen die bordjes lezen.
Het was te ruiken, er waren mensen die het roken en die niets met me te maken wilden hebben. Pas langzaam kreeg ik door dat ze de geur herkenden als van zichzelf, ik dacht altijd dat ik stonk.
Het voelde alsof ik besmet was met een soort virus van eeuwigdurend slachtofferschap dat telkens gereactiveerd werd door nieuwe voorvallen. Een virus dat zich kenbaar maakte in anders zijn, me anders voelen, er nooit helemaal bewust bij te zijn in het leven, een domme sociale hompel te zijn die waardering en liefde en respect niet waard was. 

Natuurlijk liet ik dat allemaal niet merken, dat ik me zo voelde, ik was immers die vrouw die het allemaal heel goed kon, sociaal was,  ik zette me in voor anderen, liep gewoon mee in de maat van opleiding, diploma, werk en relaties. Maar onder mijn huid, daar zat de bagger. In therapie werd het heel duidelijk. Ik douchte vlak voor ik er heen ging, om de stank en de bagger zoveel mogelijk weg te werken. Het lukte nooit, ik bleef het voelen, bleef weten dat ik eigenlijk in de groep “onaanraakbaren” hoorde. Onaanraakbaar, als mensen die lijden aan een besmettelijk virus, als de laagst staande klasse van mens.
Op het forum schreef ik er een stukje over, over dat ik het zo moeilijk vond om vies te zijn. We hebben er wekenlang over gepraat, het was zo herkenbaar voor de forumleden. Ik had geschreven over dat ik medelijden had met mijn therapeut, die me immers moest aanraken. Uiteindelijk heb ik het met Therapeut besproken en hij zat me echt aan te kijken alsof hij het in Keulen hoorde donderen. Grote verbazing dus bij hem. We besloten om mij energetisch te reinigen en te kijken of dat zou helpen. Het bleef niet bij één reiniging maar het werkte wel, steeds verdween de bagger een beetje tot het van de agenda verdween omdat er andere dingen meer aandacht gingen vragen.

Nu, 12 jaar nadat ik het me bij Therapeut echt bewust werd, merk ik dat het geen deel meer uitmaakt van mijn gevoel.

Natuurlijk komt er nog wel eens een heftige vlaag van onzekerheid voorbij, maar dat is dan ook wat het is, onzekerheid. Ik ben ruik niet meer naar misbruik, het bordje op mijn voorhoofd is bijna onleesbaar, ik voel me niet meer vies.

De bagger is weg.

 

 

 

Vorig stukje
Volgend stukje